
Mijn familie komt uit Friesland: mijn moeder uit Sneek en mijn vader uit Makkum. We hebben als gezin nooit in het noorden gewoond (wel bij Winterswijk, zo exotisch waren we dan ook wel weer) dus mijn ouders hebben ons nooit Fries geleerd. Maar als we kliekjes overhouden roep ik wel heel hard: krek so'n protsje! En daar houdt mijn Friesheid een beetje op. Toch weet ik het belangrijkste Friese erfgoed op waarde te schatten: sûkerbôle!

Suikerbrood ten zuiden van Lemmer valt soms tegen. Het Vlaamsch Broodhuys, een van oorsprong Vlaardingse keten van lunchzaken die hier in Amsterdam overal opduikt, heeft een brioche-achtige versie die er heerlijk uitziet maar nogal droog is. Laatst kocht ik suikerbrood van de Dirk waar ik wentelteefjes van heb gemaakt. Dat was voor iedereen het beste.

Verstoken van lekkere kleffe bôle ging ik tijden geleden op zoek naar het perfecte recept. Het eerste recept dat ik uitprobeerde gebruikte gembersiroop en kaneel. Dat smaakte in één keer precies naar vroeger, maar er klopte iets niet helemaal. Het smaakte alsof het niet gaar was terwijl het dat wel was: als je op de bodem klopt moet het hol klinken en dat deed het. Pas toen ik een keer de moeite deed om uit te zoeken hoeveel zout vijf gram nou precies is (één teaspoon!) bleek dat mijn brood gewoon flauw was, en niet rauw. Weer wat geleerd.

Suikerbrood moet zo klef zijn dat het eigenlijk te vies is om aan te pakken. Mijn brood was knapperig aan de buitenkant. Dat is perfect voor je zuurdesembrood met lijnzaad en rogge, maar nu absoluut niet. Ik ging de bakvorm insmeren met dik boter en suiker wat resulteerde in een heel vieze bakplaat en nog steeds, een knapperige korst. Ik ben er nog steeds niet helemaal uit maar het bleek te helpen om uit te schieten met de parelsuiker. De suiker smelt en het brood blijft nat.

Belgische parelsuiker (die ze in de Luikse wafels gebruiken) is de ideale shortcut voor Friese sûkergrein. Als je tenminste een kokkie hebt die geregeld naar Brussel moet. Je kunt dus óf naar België rijden en parelsuiker halen, óf naar Friesland gaan voor greinsuiker. En als je de Randstad niet uitwilt omdat je een verstokte chauvinist zonder connecties bent gebruik je de mini-suikerkontjes van Gilse. Ik heb wel eens geprobeerd om gewone suikerklontjes kleiner te maken in de keukenmachine maar ik bleef zitten met een mengsel van poedersuiker en nauwelijks kleiner geworden klonten in een grondig gezandstraalde kom. Ik raad dus alleen de eerste drie opties aan.

Fryske sûkerbôle (Fries suikerbrood)
Wat een verhaal! Ik kan gelijk door naar het recept.
Ingrediënten:
450 gram bloem
5 gram/ 1 teaspoon zout
1 zakje instantgist
50 gram suiker
een theelepel kaneel
50 gram zachte roomboter (mag warm zijn maar niet heet)
1 ei
50 ml gembersiroop
150 ml lauwe melk
250 gram grein- of parelsuiker (of minisuikerklontjes)
Meng de bloem, suiker en kaneel met het gist en het zout. Voeg het ei toe met de gembersiroop, melk en boter. Meng het deeg tot een homogene massa en kneed het vijf tot acht minuten. Op dit punt kun je het in de koelkast zetten als je het de volgende dag pas wilt bakken. Hou wel twee uur aan om het deeg op kamertemperatuur te brengen voor het gaat rijzen. Ik heb gister in tijdsnood de oven voorverwarmd op 50 graden, hem weer uitgezet en het deeg er een uurtje in geparkeerd. Ging ook goed.
Als je meteen doorgaat laat je het deeg afgedekt een uur rijzen op een warme, tochtvrije plaats. Na dat uur verwarm je de oven voor op 200 graden en kneed je de suiker van je keuze door het deeg. Doe het deeg in een ingevet cakeblik en laat het nog een kwartier narijzen. Bak het brood een half uur en laat het afkoelen op een rooster. Snijd het brood pas als het afgekoeld is en eet het met roomboter. Dan ren je maar een rondje extra vanavond!





